Ewijckshoeve

In 1695 werd er in de registers van de provincie Utrecht over Ewijckshoeve geschreven. In 1685 was er ook al sprake van een terrein dat zijn naam dankte aan de eigenaar, de heer Justus van Ewijck. Hij liet zijn Ewijckshoeve echter pas in de jaren negentig van de zeventiende eeuw bouwen. De hoeve onderging in de loop der eeuwen grote veranderingen. Zij branddde zelfs in het begin van de negentiende eeuw tot de grond af. Het huis dat in 1830 op de oude fundamenten werd opgetrokken is voor het grootste deel onveranderd gebleven.

In de jaren zeventig van de negentiende eeuw kwam het huis in handen van de koninklijke familie, die ook het nabij gelegen paleis Soestdijk en Prins Hendrikoord bezat. Ewijckshoeve werd toen bewoond door prins Hendrik de Zeevaarder, een broer van koning Willem III, die in 1879 stierf. Na zijn dood bleef het huis nog enige tijd in het bezit van de familie. Een aannemer kocht het buiten in 1881 en verhuurde het aan schilder Witsen. Pas in 1924 kwam het weer in andere handen waarna aan weerszijden van het huis hoekkamers werden bijgebouwd.

Hendrik de Zeevaarder, oftewel Willem Frederik Hendrik, Prins der Nederlanden (1820-1879).

Geboren op 13-06-1820 te Soestdijk, gedoopt op 08-07-1820 te Baarn, overleden op 13-01-1879 te Walferdange op 58-jarige leeftijd. Hij overlijdt onverwacht aan een door de mazelen veroorzaakte hersenembolie. Begraven op 25-01-1879 te Delft. Tussen 1831 en 1847 maakt hij 16 zeereizen, waarbij in als eerste Oranje Paramaribo, Curacao en Nederlands Indie bezoekt. Ook maakt hij zeereizen naar IJsland, Brazilie en New York. In 1850 wordt hij benoemd tot stadhouder van Luxemburg, dat zich in een verkommerde toestand bevindt.

Door zijn eenvoud en tact is hij erg populair en groeit hij in Luxemburg uit tot een nationale held. Hij bevordert landbouw en veeteelt, het onderwijs en de ontwikkeling van het spoorwegnet. Tijdens de Luxemburgse crisis van 1867 verzet hij zich, met de Luxemburgers, tegen de plannen van zijn broer, koning Willem III, die tevens Groothertog van Luxemburg is, het groothertogdom aan Frankrijk te verkopen. Hij ondersteunt tal van initiatieven op het terrein van de zeevaart
(Bron: Van Ditzhuysen, een biografisch woordenboek)

Willem Witsen

Willem Arnold Witsen werd geboren in 1860. Hij behoorde tot een welgestelde Amsterdamse familie. Zijn vader en grootvader hadden carrière gemaakt in de handel. Kunst en cultuur waren belangrijk in het gezin Witsen. Willem groeide op met muziek, literatuur en beeldende kunst en wist al jong dat hij schilder wilde worden. Na het gymnasium ging hij studeren aan de Rijksacademie in Amsterdam.

In zijn academietijd raakte Witsen betrokken bij de ‘beweging van Tachtig’. Andere bekende Tachtigers waren de dichters Willem Kloos en Albert Verwey, de schilders Jan Veth, George Hendrik Breitner en Jacobus van Looy en de schrijver Frederik van Eeden. Deze kunstenaars wilden omstreeks 1885 de literatuur en schilderkunst vernieuwen met als motto ‘l’art pour l’art’, ‘kunst om de kunst’. Onder verschillende namen schreef hij kunstkritieken voor het blad. Samen met Veth richtte hij de Nederlandsche Etsclub op.

Zijn eerste jaren als kunstenaar woonde Witsen afwisselend op Ewijkshoeve, het buiten van zijn familie bij Lage Vuursche, en in Amsterdam. In 1887 huurde hij een atelier aan de Oude Schans. Hier schilderde hij zijn eerste stadsgezichten. Het jaar daarop vertrok hij naar Londen, waar hij twee jaar bleef wonen.

Nadat het huwelijk met Betsy van Vloten was gestrand, verhuisde Witsen in 1901 weer naar Amsterdam, waar hij tot zijn dood bleef wonen. Een tweede leven brak aan toen hij Marie Schorr leerde kennen. Witsen trouwde met haar in 1907. Samen maakten ze verre reizen, onder meer naar Venetië, San Francisco en Nederlands-Indië. Twee jaar na deze laatste reis overleed Witsen, 63 jaar oud. Zijn huis met atelier aan het Oosterpark – het Witsenhuis – is na zijn dood in originele staat bewaard gebleven.
(Bron: willemwitsen.nl)